College van Beroep voor het bedrijfsleven 7 december 2011 (Studentencollectief), LJN BU9170 Opta heeft aan appellant A boete opgelegd wegens het versturen van spam. Het College is met de rechtbank van oordeel dat tijdens het gesprek van 18 april 2006 van een redelijk vermoeden jegens A, gelet op de op dat moment bekend zijnde feiten en omstandigheden, (nog) geen sprake was. Het College acht niet aannemelijk dat het doel van het gesprek verder ging dan vergaring van feiten in het kader van de uitoefening van OPTA's toezichthoudende bevoegdheden en dat het onderzoek in dat stadium was gericht op eventuele bestraffing van A. Gelet hierop heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht overwogen dat tijdens het gesprek de cautie niet had behoeven te worden gegeven. OPTA heeft in dit geval aan A een boete opgelegd van € 55.000,--, wat beneden het reguliere maximum valt dat in het Spamboetebeleid is neergelegd. Met de rechtbank is het College van oordeel dat de boete niet onevenredig hoog is, gelet op het grote aantal spamruns dat A heeft uitgevoerd, en de wijze van verspreiding van de spam via zogeheten wardriving. A heeft voor de verspreiding van zijn berichten namelijk gebruik gemaakt van onbeveiligde computernetwerken, hetgeen voor de gebruikers van die netwerken negatieve gevolgen heeft gehad.
Opta heeft aan appellant A boete opgelegd wegens het versturen van spam.
Het College is met de rechtbank van oordeel dat tijdens het gesprek van 18 april 2006 van een redelijk vermoeden jegens A, gelet op de op dat moment bekend zijnde feiten en omstandigheden, (nog) geen sprake was. Het College acht niet aannemelijk dat het doel van het gesprek verder ging dan vergaring van feiten in het kader van de uitoefening van OPTA's toezichthoudende bevoegdheden en dat het onderzoek in dat stadium was gericht op eventuele bestraffing van A. Gelet hierop heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak terecht overwogen dat tijdens het gesprek de cautie niet had behoeven te worden gegeven.
OPTA heeft in dit geval aan A een boete opgelegd van € 55.000,--, wat beneden het reguliere maximum valt dat in het Spamboetebeleid is neergelegd. Met de rechtbank is het College van oordeel dat de boete niet onevenredig hoog is, gelet op het grote aantal spamruns dat A heeft uitgevoerd, en de wijze van verspreiding van de spam via zogeheten wardriving. A heeft voor de verspreiding van zijn berichten namelijk gebruik gemaakt van onbeveiligde computernetwerken, hetgeen voor de gebruikers van die netwerken negatieve gevolgen heeft gehad.